Boliviaanse pracht (begin juni - half juli)
De valse papieren (die er echt wel te vals en te gekopieerd uitzagen) vormden voor de Boliviaanse douane geen probleem. Een nummer dat ontbrak werd zonder verpinken vervangen door de postcode van een of andere Duitse stad (porque no). Na de formaliteiten konden we ons dus zonder problemen een weg banen doorheen het zuiden van Bolivië. Of dat was tenminste wat we peinsden. De Argentijnse asfalt werd al gauw vervangen door Boliviaans zand, en aan omleidingen en kraters was er ook al geen gebrek. En zo werd onze rit naar Tupiza een helse onderneming, zeker na het onderduiken van de zon. De beslissing om de Falcon in Argentinië te laten werd geprezen, waarschijnlijk hadden we hem op dit eerste traject al kapot gereden.
Tupiza werd de uitvalsbasis voor een vijfdaagse trip door het zuidwesten van Bolivia (regio rond de Salar de Uyuni). Met Joanna, Gerhard en Thierry (zalige Fransman die de vacante plaats voor de toer opvulde) kropen we in een Toyota Landcruiser. Voor de mensen zonder verstand van auto´s (zoals wij), dit machien crosst zonder problemen den Boerentoren op. We werden vergezeld door een gids/bestuurder (Sebastian) en een kokkin (Marina). De eerste dag baanden we ons een weg langs kathedralen van rotsformaties, duizenden cactussen, lama´s en vicuñas (net iets elegantere lama´s met minder maar warmere vacht). Na een uur of vijf in gebieden te rijden waarin ge menselijk leven onmogelijk acht, stootten we plots (op een slordige 4000m hoogte) op een voetbalmatch. Extreme verrassing, die nog groter werd toen we merkten hoe sterk die mensen hun longen aangepast zijn; na de wandeling van 100m (van den auto naar't veld) waren we uitgeput. De tweede dag stond de volcán Uturuncu (6008m) op het hoofdmenu. Het voorgerecht was de Toyota, de rivier en het ijs. Verkeerde route gekozen en vast (jawel het kan, nooit gedacht) in de bevroren stroom. Met stenen, een soort krik en mankracht kregen we hem na enkele uren toch uit het ijskoude water. Na het hoogste middagmaal uit ons bestaan - praktisch alles wat we die dag deden werd zo benoemd - begonnen we 'opgewarmd' aan de hoofdschotel. Veel strakke wind, fumaroles*, klimwerk, en stoelgang op grote hoogte (met dank aan onze Franse en Oostenrijkse compagnons) later bereikten we uiteindelijk als stervende zwanen naar adem snakkend de top. Het zicht van daaruit was onbeschrijflijk, een soort van lavalandschap vol met bevroren meren en bergtoppen. Wegens afvriezende ledematen werd de afdaling echter vrij snel ingezet. Terug in ons campamiento aangekomen kon niemand nog pap zeggen en kropen we directamente (sommigen met barstende koppijn) in onze beddebakken. Dag drie bracht ons langs el Desierto de Dali (toen de Salvador deze woestijn bezocht, zei hij dat er in zijn verbeelding zulke plek bestond) en talrijke meren in allerhande kleuren naar de achterkant van de volcano Lincancabur (5950m, degene die goed hebben opgelet, herinneren zich San Pedro de Atacama in Chili allicht nog. Hier passeerden we eerder en dit dorp ligt aan de andere kant van deze perfecte kegel.) Hierna werden we getrakteerd op een heelijk thermaal bad, ijskoud buiten maar lekker weken en allerhanden parfums van de voorbije dagen afschudden in het warme water. Als kers op de taart passeerden we nog langs bubbelende geisers en Laguna Colorado (een ROOD meer!) voor zonsondergang. Op dag vier vertoefden we in de Desierto de Siloli die de Arbol de Piedra herbergt (een rotsformatie in boomvorm). Lunchen deden we op vulcanisch gesteente en met zicht op vulkaan Ollague (5865m) die nog steeds stoom aflaat. Van bij de start van dag vijf merkte Wim dat de eieren in de lunch van gisteren niet zo vers meer waren. Voor hem (een paar uur later gevolgd door Maxim en Gerhard) zou deze dag zich dan ook volledig in het interieur van de Landcruiser afspelen. Vóór zonsopgang scheurden we de Salar de Uyuni op, de grootste zoutvlakte ter wereld (even groot als Vlaanderen). De eerste keer dat we voet op deze enorme witte plaat zetten voelde aan als binnenwandelen in een sprookje; een mysterieuze sfeer met geel- en roodgloeiende bergen op de achtergrond. Deze werd helaas verbroken toen Wim noodgedwongen het maagdelijk wit ging besmeuren. Later hielden we halt om de typische er-is-geen-dieptezicht foto´s te maken en zette Maxim een wandeling op Isla Pescado ('eiland' in de zoutwoestijn met metershoge cactussen) in die snel beëindigd werd door stoelgangproblemen. De plaatselijke sanitaire voorzieningen werden dan ook masaal bezocht door ons gezelschap. Na het kruisen van de spoorweg tussen Bolivië en Chili (om het zout en borax naar de zee te vervoeren) baande de Toyota alias ziekenwagen zich een weg (met de nodige sanitaire intervallen) terug naar Tupiza om hier de volgende dagen uit te zieken.
*sulfurdampen die uit de zijkant van een vulkaan ontsnappen en die de indruk geven dat degene voor u heel den tijd 'pedos' laat vliegenNadat iedereen hersteld was, kropen we de VW-bus in om naar de mijnstad Potosí te bollen. ´s Werelds hoogste stad ligt aan de voet van de Cerro Rico, waaruit de Spanjolen, met behulp van Indiaanse en Afrikaanse slaven, al het zilvererts plunderden. Heden ten dage is de mijn nog steeds een inkomstenbron voor menig Boliviaan. Ze werken er in erbarmelijke omstandigheden (heel smalle gangen, onverlicht, grote diepte,...) en riskeren hun leven voor een habbekrats. Deze situatie deed ons allen de mond snoeren en enkele tientallen minuten bezinden we op de flanken van de 'rijke' berg. Dit in het bijzijn van de arme sukkeltjes van een familie die aan de ingang van één van de mijnschachten probeerden te overleven... Na al dit leed overpeinsd te hebben, maakten we una vuelta door de stad en bewonderden we de ontelbare kerken en koloniale huizen die de Spanjolen er in hun bloeiende periode neerpootten. Aangezien de koude niet langer te harden was, werd de tijd rijp bevonden om tot het hart van Bolivië door te dringen, La Paz (en nee het is niet zoals vaak wordt gedacht de officiële hoofdstad van het land, dat is Sucre, maar het is wel de administratieve hoofdstad).
Vanop de achterbank van de VW-bus zagen we, naarmate we 'De Vrede' naderden, de prachtige volcán Ilimani (Gouden Arend) opduiken. De prachtig besneeuwde top van deze zesduizender (6458m) steekt torenhoog boven de stad uit. Onderwege maakten we nog een praatje met twee fietsende reizigers (respect) waarmee we ´s avonds Pique Macho (typisch gerecht met frieten, worstjes, vlees en veel ajuin) gingen eten. Het binnenrijden was niet van de poes, duizende mini-busjes en taxis kroeilden er over het wegdek. Tussen al het getoeter door werden we in El Alto (voorstad van La Paz) getrakteerd op een vogelperspectief-achtig zicht op La Paz. De stad ligt in een schitterende vallei met op de bodem van de put het 'centrum' met zijn uber-lelijke flatgebouwen en het hoogste nationale voetbalstadion (vandaar dat de Bolivianen af en toe met 6-1 van Argentinië kunnen winnen). Tegen de flanken kruipen de uit rode snelbouwstenen vervaardigde huisjes de bergen op wat de hele vallei als een gigantisch stadion doet aanvoelen. Eens afgedaald vonden we onderdak in hostal Cactus, met Blanca en familia als gerante. Zij zou de komende zes weken dienst doen als interim-mama. Verder vervoegden we ons opnieuw met onze Israëlische vrienden Dan en Dan, waarmee we maanden voordien al veel pret beleefden (in Patagonië). Met hen en andere mochileros (oftewel backpackers) doken we met volle goesting (wegens lang geleden) het nachtleven van La Paz in, en dat is er eentje om over naar huis te schrijven (bij deze gebeurd!).
Na enkele nachten de bloemetjes buiten te zetten en de Boliviaanse keuken (die als hoofdingrediënten gefrituurde rijst, kip, en plátanos=gigantische bananen bevat) uit te proberen, was de tijd weer rijp voor wat natuurgeweld. Met een der Dannen (de andere moest noodgedwongen achterblijven wegens Boliviaanse reizigersziekte alias massale diarree-aanvallen) trokken we de bergen rond La Paz in. Met gekopieerde kaarten van ene Shaul (Israëli die al enkele jaren in La Paz woont en wiens hoofd wel op een luchtballon geleek, zwevend van de ene naar de andere trekking bracht hij ons vooral in verwarring, maar hij was wel degene met de nodige mappen en kennis van natuurparels) moest de Murillo trekking een makkie worden. Het spreekwoordelijk gezegde 'alle begin is moeilijk' werd aan den lijve ondervonden. De kaarten bleken toch niet zo acuraat en het landschap´bood ook niet onmiddelijk hulp met klare landmarks. Na enig klim-daal-klim-daal-...-werk bevonden we ons uiteindelijk dan toch op het juiste pad dat ons naar een top leidde vanwaar we een uitstekend overzicht hadden over een enigszins vruchtbare vallei vol met schapen en lama's. Als skieënd gleden we op de praktisch verticale helling van losse steentjes naar beneden om hier tegen het avondgloren (dankjewel prachtige zonsondergang) onze tenten op te slaan. Met de kippen gingen we op stok en bijgevolg kropen we vroeg uit de veren. Na een hartverwarmende koffie begonnen we aan een lange en afmattende klim die ons tot boven de 5000m zou brengen. De laatste hectometers van dit huzarenstukje lieten we de Superman in ons los en het was nodig! Met de nodige voorzichtigheid brachten we een paar keer ons leven in gevaar. Toen we alle drie veilig en wel de top bereikt hadden, bleek de ander kant zich volgestouwd te hebben met wolken. Doorheen dit dense wolkendek werd de komende uren afgedaald, wat voor een mysterieus sfeertje zorgde. Eens onder de wolken baanden we onze afdaling verder tussen de losliggende stenen en doorheen kolkende canyons totdat de zon zich ging verstoppen. De volgende dag meer van hetzelfde op 't programma. Naarmate de dag vorderde veranderden de stenen in struiken en de struiken in bomen. Ook het kwik kroop langzaam maar zeker de hoogte in en voor we het goed en wel beseften bevonden we ons in een supergroene vallei vol met riviertjes en lama's. Een rijkaard had op onze weg een serieuze lap grond verkregen en hier een huis op gepoot (inclusief tuin met lama's) om indruk te maken op buitenlandse investeerders. Op ons maakte het alvast indruk... Na nog wat geholpen te worden door de zwaartekracht riskeerden we voor de tweede keer ons leven door plaats te nemen in de bus richting La Paz. Scheuren en binnenbochten waren Mijnheer Chauffeurs geliefkoosde woorden, dit naast afgronden van een paar honderden meters diep. Een schelle kreet weergalmde in de bus toen een tegenligger ons bruusk deed uitwijken.
Terug aangekomen in La Paz werd er weer genoten van het bruisende nachtleven om enkele dagen later, na veel gezever en gezwans, de selva (jungle) op te zoeken. Dit deden we in het gezelschap van vier Israëlische chicos (Lyran de bomma, Bruno de kok, Kashi de eeuwige puber en Omer de droomprins), een Fransoos (Thierry met zijn supergrappig Engels, dezelfde jongeman als in Uyuni) en twee Boliviaanse 'gidsen' (Javier den baas en Johny de knecht, beiden weinig communicatief geskilld). De eerste dag werden we met MTB's (van Boliviaanse makelij) gedropt op de ijskoude top van de 'Deathroad'. Dit is een downhill van 50km met superdiepe afgronden waar al menig voertuig over de schreef ging. Ondertussen is er wel een veilig alternatief voor vierwielers zodat we ons niet echt moesten bekommeren over tegenliggers (over de fietsen daarentegen....). Toch moesten we zowat na elke bocht ons gaspedaal loslaten omdat één van de Israëlisch blijkbaar al lang niet meer op een fietske had gezeten (...ons bomma zou minder problemen hebben, werd wel eens gebruikt...). Naarmate we hoogtemeters verloren, werden er meer en meer kledingstukken uitgeschoten (de bomma had ondertussen plaatsgenomen in de volgwagen). De kille en kale bergen van op de top kleurden stilaan groen en na enige uren freewheelden we door groene jungle met watervallen die als verfrissende douches dienst deden. Tegen het einde gaven we wat gas bij op een hobbelig zijpaadje om lekker in´t zweet beneden in Coroico aan te komen. Van daar scheurden we verder in bus en taxi over stoffige bergpassen. Stevig geshaked en met een aantal stramme ledematen kwamen we aan in Guanay. De nacht brachten we door op een oever onder de brug, waar we later deze week nog eens passeerden met onze raft. Dag twee bracht ons wederom met een Toyota Landcruiser (met tienen!) tot midden in de jungle. Wat ne weg! Nog meer dooreengehaald en gewapend met machetten baanden we ons een weg door het dense woud. Hierbij verloren we (of beter gezegd onze 'gidsen') een paar keer het noorden om uiteindelijk toch aan de stroom te komen waar we de komende uren doorheen zouden waden/baden. Na ettelijke aap-achtige uitvallen in het water kropen we terug het land op en passeerden we langs rijst-, papaya- en bananenplantages in het hart van de jungle. De oogst van deze plantages wordt vervoerd op ezels wiens weg wij zouden volgen tot we in een net-als-in-de-films-jungledorp aankwamen. De kinderen, biggetjes en kippen speelden hier samen alsof ze nooit anders gedaan hadden. Ons hart begon echter een beetje te bloeden bij het aanschouwen van lege batterijen en allerhande plastieke voorwerpen die overal tussen de houten huizen verspreid lagen. De landcruiser bracht ons tot bij de rivier die de komende dagen onze beste vriend zou worden en hier werd nog wat nachtelijke fitness voorgeschoteld. Het oppompen van camionbanden met kleine fietspompkes is echt niet van de poes en bezorgde ons behoorlijk wat ´blisters on the fingers´. Ondertussen begon onze Fransoos het Engels van Arnold Schwarzenegger over te nemen om zich verstaanbaar te maken voor de horde meegereisde Israëli´s, gieren! Ons dak boven ons hoofd bestond uit twee zeilen, gestut door twee driepikkels en een dwarsbalk uit vers bamboehout. Op dag drie kropen we vroeg uit onze shelter om lange, rechte en holle bomen te gaan kappen die dienst zouden doen als frame voor de raft. Als Rambos ‘macheteerden´ we om ter snelst een tiental bomen tegen de grond om deze door de rivier naar ons campamiento te sleuren. Na een paar uurkes de scout in ons boven te halen (Que alegría!) werd de cargo, die bestond uit rugzakken en mondvoorraad, in waterdichte (rubbere) zakken op het vlot gehesen. Een palmtak deed dienst als onmisbare (voor sommigen al wat meer dan voor anderen) vlag. Vanop onze balsa aanschouwden we onontgonnen stukjes jungle en genoten we van de stroomversnellingen. Na enkel uren abfahrt konden we gebruik maken van de extra camionbanden om solo een weg te banen op het ritme van de rivier, genietend van de muziek van het kabbelende water in harmonie met de junglegeluiden (eindelijk effe verlost van het Hebreeuws gekakel). Later bevonden we ons in superbe canyons waar we vanaf metershoge rotsformaties het appelblauwe-zeegroene water indoken. Na een dag drijven en begroeten van goudzoekers (de traditionele stiel bestaat hier nog!) vonden we de perfecte kampeerplaats. Een schoon strandje met een overvloed aan hout voor het kampvuur. Een schitterende Israëlische maaltijd (sjaksjoeka), enkele kopjes thee en een hallucinatie later kropen we in de 'tent'. Dag vier bracht ons meer van hetzelfde genot. Op de middag verankerden we ons schip om een hele smalle canyon te exploreren. Wadend door het riviertje dat deze donkere gang vult, werden we opgeschrikt door krijsende uilen, die als zotten begonnen rond te fladderen toen we hun rust verstoorden (nen horrorfilm is er niks tegen). Wat verder in de smaller wordende Canyon moesten we watervalletjes opklefferen, wat voor de ene al wat moeilijker was dan voor de andere (remember de bomma). Toch net iets anders om te klimmen in een gladde canyon dan op een Zwitsers bergpadje. Tegen de avond vloeiden we in de bruine Rio Caca en kampeerden we in de buurt van een dorpje. Dorp=winkel=pintjes.... dus iedereen kroop gelukkig en voldaan in de tent. De laatste dag beklommen we een bredere canyon langs een riviertje dat uitmondde in een trippel adembenemende watervallen. Mannekes wat een schoonheden herbergt dit land! Na een paar zotte sprongen in de poelen die deze watervallen uitsleten, keerden we terug en zetten we de tent op (drie)poten. ´s Anderendaags werkten we het laatste stukje rivier af om aan te meren en de raft te ontmantelen in wederom een geweldig jungledorpke. Ook deze keer maakten niños, kippen en honden deel uit van het speelse gebeuren op het zanderige pleintje aan de boorden van de rivier. Verder werd een 'cargoschip' (lange kano vol met tropisch fruit) door het gans dorp leeggehaald in de goeien-ouwe stijl, ketting maken met een tiental personen en smijten maar! Beter voer voor de ogen bestaat niet... Met een maag vol goesting in een stevige maaltijd vingen we de urenlange terugrit naar Caranavi aan. Eindelijk nog eens een goei lap vlees, want de vegetarische Shaul had ons wat dat betreft enkel nen blok mortadela (soort boterhamworst, lekker in de meeste landen maar niet in Bolivië) meegegeven, dieje na enen dag stonk als de pest en alleen nog door Javier met zijn varkensmaag gegeten kon/wou worden. De volgende dag keerden we terug naar onze geliefde Cactushostel in La Paz.
Later meer over de avonturen in dit prachtige land.
Reacties
Reageer
Laat een reactie achter!
- {{ error }}