Maxwim in América Latina

Aan alles komt een (lang) einde...

Na definitief het Zuid-Amerikaanse continent te ontvluchten, kwamen we in onze propellor aan in ‘la Ciudad de Panama’. Net voor onze landing werden we nog getrakteerd op een nachtelijke overtocht van het Panama-kanaal dat ‘s nachts verdacht hard op een gigantische landingsbaan lijkt. Nadat we de vlieghaven ontvluchtten, vielen we bijna omver van de ‘hoge’ prijzen. Ons lange verblijf in het spotgoedkope Bolivië zal hier zeker iets mee te maken hebben gehad. Taxi, hostel, eten... alle prijzen konden met een factor drie vermenigvuldigd worden, terug met beide voetjes op de grond dus... De hoofdstad van Panama (met gelijknamige naam) heeft niet veel te bieden. De bijnaam ‘het Miami van Centraal-Amerika’ zegt alles. Veel te overdreven grote buildings (de ene al wat lelijker als de andere) domineren de skyline. Tussen deze kolossen manoeuvreren de nieuwste Amerikaanse supervoertuigen. Als je hier rijk bent, ben je echt decadent rijk en dit in een land waar armoede overheerst! Na een koppel decadente privéfeestjes verlieten we deze stad zonder ziel, om de parels van het land op te zoeken. Zo kwamen we terecht op het eiland Bocas del Toro. Dit gaf ons het gevoel van aan te komen ‘op’ een postkaart. Een waar paradijs voor het oog. Wuivende palmbomen hingen boven het helderblauwe Caraïbische water waarin zeesterren arm in arm laggen te zonnebaden. Als de dorst ons overviel, plukten we een kokosnoot van één van de palmeras en slurpten deze leeg. Ook het hostel (Heike) had iets paradijselijk. ’s Morgens gratis pannenkoeken met een koffieke en misschien wel het grappigste duo ooit (twee Ieren, ne roodharige natuurlijk en ne krollenbol). Volgens Carraïbische normen werd er elke avond stevig gefeest op allerlei constructies boven het water. Voor de vrouwen onder ons was dit al wat goedkoper wegens ladies-nights gedurende de hele week. Dit was echter ook in ons voordeel; gratis bediening door onze vrouwelijke medereizigsters... Een boottochtje langs de eilandenarchipel 'Bocas del Toro' bracht ons bij speelse dolfijnen, rode kikkertjes en kleurrijke riffen met zeer rare vissen die we al snorkelend bewonderden. De laatste nachten ruilden we ons bed in voor een hangmat net boven het heldere water. We probeerden nog snel te wakeboarden (op surfplanken) waarbij een aanraking met het water net iets minder zacht aanvoelde voor somige lichaamsdelen. Na een week in dit paradijs gingen we op zoek naar ‘la Pura Vida’ (=het echte leven) in Costa Rica. De Ticas (inwoners van Costa Rica) gebruiken de slogan ‘Pura Vida’ in zowat elke twee zinnen, waardoor wij na twee dagen Puerto Viejo deze zinsconstructie serieus verfoeide. (bv.: Weet je waar ik een pak chips kan vinden? – Nee, Pura Vida) Nadat we onze tent tussen de hangmatten van de Rocking J (hostel) hadden neergepoot en we kennis hadden gemaakt met onze medebewoners, begonnen we aan een potje kaarten, dat snel tot meerder potjes werd herleid. Enkele dagen later en wat pokergeld rijker werd de kaartenboek opgeborgen achter slot en grendel. Maxim besloot zijn haar hier voor de 2de maal deze reis te laten kortwieken. Hiervoor koos hij doelgericht een artisanaal meisje uit die de godganse dag met een schaar in haar handen zat te knutselen. Goed idee denk je dan, maar het resultaat was niet te best. Met een zure lach van de kortgewiekte kant en buldergelach van al de rest als gevolg. Vergelijk het met wat ze een ‘pispotcoupke’ of ‘ne-Glen-van-Get-Ready-snit’ noemen. Na wat herstelwerk van een tweede schoonheid durfde Wim het dan toch terug aan in de nabijheid van de Maxim te komen (zonder in tranen uit te barsten). Na twee dagen rondhangen en vooral kaarten in de superschone hostel bezet met 1001 mozaiekjes en voorzien van een slaapzaal met hangmatten, een boomhut en een strand met palmbomen (Maar met het slechtste personeel ooit) gingen we op zoek naar wat natuurschoon. Dit vonden we in het Parque Nacional Cahuita. Dit met hagelwitte stranden bedekt schiereilandje herbergt allerlei soorten apen, krabben, koaties en een schitterend (maar beschadigd door een aardbeving) rif. Tussen het genieten door vonden we afkoeling in de krachtige golven, mmm... Het was tevens hogen tijd om nog eens op een tweewieler te kruipen en dus huurden we daags nadien fietsen. Deze brachten ons door een groen regenwoud met hier en daar een luiaard of een tukan naar een baai met kleine, houten vissersbootjes en een playa negra (zwart strand). Na 25 keer elkaar bekampt te hebben in deze boksring van zwart zand en evenveel keer gewassen uit het lekker warme water te komen (het was intussen aan het tropisch onweren) besloten we terug te bollen. Na een week in de hangmatten naast onze tent te bivakeren en één te zijn geworden met Bob Marley (wegens repeat-afspeellijstjes in hoofdzaak bestaande uit deze rastaman die uit elke luidspreker van Puerto Viejo weerklonken), sleepten we onze rugzakken naar de andere kant van Costa Rica. Het Peninsula de Oso is de thuishaven van meer dan de helft van de diersoorten die in Costa Rica voorkomen en dus wij als biologen in wording, moesten hier zeker passeren. Eerst nog snel even een berg op crossen om een schoon overzicht van dit schiereiland te verkrijgen en vervolgens via boot en bus/truck naar het begin van onze trekking. De eerste nacht zonder succes zeeschildpadden (die aan land komen om eieren te leggen) proberen te spotten. Na een korte nachtrust volgden we het paadje enkele meters van de kustlijn, maar net ver genoeg in de jungle om op zoek te gaan naar onze eerste beestjes. Na een paar keer een vreemd gekrijs te horen, merkten we een stoet papegaaien (Scarlet Macaws) om ons heen (dankuweeeul Samson). Wat een bont kleurenpalet hebben die vogels toch... Enkele kilometers en rivieroversteken verder trapten we bijna op een slang en zagen we koaties, wilde zwijn-achtigen en leguanen. Aangekomen bij het tweede rangerstation (net een drugsbasis met bijhorende landingsbaan) probeerden we onze tent recht te zetten onder de verplichte verhoogde en met hout bekleede camping (niet gemakkelijk als je weet dat er minstens vier haringen nodig zijn om dit te verkrijgen). ’s Avonds nog snel effe krokodillen gaan spotten die bij vloed naar de riviermonding komen om hier zeevissen te vangen en dan op de veren (onder de veren zou veel te warm geweest zijn). De volgende dag planden we een tocht rond het rangerstation die ons wegens erbarmelijke kaartjes en vooral een domme fout ergens anders naar toe leidde. Onderweg botsten we op aapjes, krokodillen, supergrote fazanten, jesus-christ-hagedissen (coole reptielen die over water kunnen lopen) en een otter. Toen we ontdekten dat we goed fout zaten, overheerste er toch blijdschap; we hadden deze beestjes immers nog nooit gezien. In snelle gallop keerden we terug naar onze slaapplek die we bereikten net voor de zon in de zee weg zakte. Dag 3 bracht ons terug van waar we kwamen (op dag 1). Onderweg werden slangen, zwijnen, aapjes, fazanten, papegaaien en nog veel meer gespot. Terug de bus/truck op en via allerlei openbare vervoeren richting de hoofdstad, San Jose. Hier hadden we overnachting gereld bij ene zekere Diego die we in Puerto Viejo ontmoette. Wat een luxe om een TV, wasmachine, auto en kok ter beschikking te hebben... Na vijf dagen filmkes te kijken, alles te wassen, 100 gallos pintos (typisch gerecht voor zowel ‘smorgens, ‘smiddags als ‘savonds met rijst, bonen en ei) gegeten te hebben en de stad rond te rijden verlieten we dit ‘kuuroord’ en Costa Rica voorgoed. De grens Costa Ricas – Nicaragua staken we over per boot. De rivier, waarlangs apen bulderden, mondde uit in het onvoorstelbaar schone Lago de Nicaragua. Een toegansstempel voor Nicaragua haalden we in het veelkleurige San Carlos, waar een politiefeest zowat de belangrijkste gebeurtenis van het jaar blijkt te zijn. Vanop een ferry naar het Isla de Ometepe (in het midden van het Lago de Nicaragua) zagen we een zeer betoverende zonsondergang, van oranje over rood naar paars en dan naar het overbekende gitzwart... Op dit eiland lijkt de klok nog meer stil te staan dan in de rest van Nicaragua. Er verschenen terug ossenkarren en varkens in het straatbeeld. Een finca (een boerderij met de nodige gronden voor eigen voorzieningen) deed dienst als ons onderkomen. Samen met twee Amerikanen uit deze finca beklomen we 1 van de 2 vulkanen (de Concepción en de Maderas) waaruit het eiand bestaat. Bovengekomen werden we enkele seconden getrakteerd op een uit-de-wolken-gevoel waarna we een zéér verfrissende duik maakten in de krater van de vulkaan. De afdaling bestond vooral uit schuif- en schaatswerk, maar we haalden heelhuids en zonder dikke enkels de bar, waar we in een stevig tempo drie flessen Toña verzwolgen. We verlieten de finca en sprongen op een vissersbootje richting een onbewoond eilandje. Daar aangekomen ontdekten we dat er niet echt veel plaats was voor ons muskietennet en dat deze plaats dan ook niet zo onbewoond was. Mieren liepen met veel te veel over het strandzand en irriteerden ons ondanks de nodige Flor de Caña toch behoorlijk. Zo erg dat Maxim er ‘snachts zelfs eventjes het bijltje bij neerlegd, gelukkig had Wim in zijn slapende ooghoeken nog net een petzl (hoofdlamp) tegen de grond zien gaan. Er zat voor hem dan ook niks anders op dan de bewusteloze Maxim even de verkoeling van het Lago de Nicaragua te laten trotseren, want op onbewoonde eilanden durven al eens geen dokters aanwezig te zijn. Gelukkig voor beide ontwaakte de Max snel uit zijn door mieren overgenomen bestaan en konden we beiden genieten van een prachtige zonsopgang met dichtvallende oogjes. Terug bootje, ferry, taxi en bus op om aan te komen op onze volgende prachtige locatie, Granada. Deze oudste stad op het vasteland van Midden Amerika was tevens (afwisselend met Leon) de vroegere hoofdstad van Nicaragua. En dat de Spanjolen hier ooit de septer zwaaiden, zullen we geweten hebben. Alle huizen, kerken en andere gebouwsels lijken zo uit Spanje weggeplukt en zijn prachtig gerestaureerd. Onze hostel (The Bearded Monkey) aldaar was inclusief bar en dat zorgde voor plezier en vertier vanaf een uur of vier en veel nieuwe collega-trekkers met wie we de stad en zijn overheerlijke (en super goedkope) voedsel verkenden. Verder trokken we naar de kleine broer van onze hostel (The Monkey Hut) dat gelegen was op de (binnen)flank van een vulkaan en dat voorzien was van het nodige speelse materiaal voor waterpret op het kratermeer. Na Granada (bijna) helemaal uitgekamd te hebben, verlieten we Nicaragua om het warme water van de Caraïbische zee in Honduras terug te vinden. Deze tocht verliep niet zonder slag of stoot. In Honduras waren ene Zalaya en ene Michiletti immers geen goede vrienden meer en dat zorgde voor de nodige avondklokken die de busschema's danig in de war stuurden. Na twee dagen konden we dan terug eindelijk onze benen strekken op Utila, hét duikersmekka voor 'backpackers' en 1 van de 3 eilanden van de Bay Islands. Gelukkig rekenen ze in Honduras eilanden niet echt tot het vaste land en was de avondklok hier dan ook na 1 dag afgeblazen. Utila telt 6000 inwoners en bestaat uit 1 dorp genaamd Utila, de voertaal is er in tegenstelling tot op het vaste land Engels (maar iedereen spreek wel meer dan een mondje Spaans). Dit komt omdat de oorpronkelijke inwoners veelal Engelse piraten waren die de Spaanse vloten (met goud, zilver... uit Latijns Amerika) van tijd tot tijd tot zich namen. Hier installeerden we ons in het 'Parrot's Dive Center' en gezellige keet uitgebaat door een 'local' (Alfred, die nog steeds als piraat door het leven gaat) en (Tatiana, zijn Ecuadoriaanse vriendin). We gingen hier voor de eerste keer kopke onder en dat was zeer spannend. De signalen die onze lichamen naar ons kopke stuurden waren in de trend van «maakt dat ge terug boven bent, of denkte soms dat ge kiewen hebt en gelijk ne goudvis in een bokaalke op de schoorsteen kunt leven» of zoiets. Toch overleefden (en negeerden) we onze schrikbarende signalisatie en dag na dag werden we beter en beter in het onder-water-leven. Op dag 3 was de tijd rijp om op de boot te springen en het Belize Barrier Reef (tweede grootste rif, na het Great Barrier Reef nabij Queensland, Australië) te verkennen. Wat we toen te zien kregen, viel moeilijk in woorden te beschrijven (ook al omdat er onder water helemaal niets te vertellen valt). Een nieuwe wereld ging voor ons open. En deze wereld bestond uit kleuren die boven water alleen door machines geproduceert kunnen worden en beesten die boven water al snel hun bijltes voorgoed zouden neerleggen. Elke 45 minuten (de tijd van 1 duik) onder deze zeespiegel was een waar godsgeschenk; Queen Angelfish, Tiger Grouper, Caribbean Reef Octopus, Carribean Spotted Lobster, Hawskbill Turtle, Whaleshark (spijtig genoeg niet door ons gezien),... zijn termen die eenieder die het volgehouden heeft om tot hier te lezen zeker maar eens moet googelen. Deze natuurpracht deed ons 'geplande' verblijf van vier dagen verlengd worden met een X-aantal dagen en de volgende duikcursus. We doken tot op een diepte van 30m (het meeste onderwaterleven speelt zich echter af tussen de 3m en de 10m) en deden zwaartekracht-spellekes onder water om ons zo gestoomlijnd mogelijk door het water te bewegen. Het hoogtepunt van deze cursus was echter de nachtduik; vissen die plat liggen te slapen op een koraalbedje, octopussen die elke twee seconden van kleur veranderen (rood, geel, groen, blauw...), duizenden kreeften- en garnalenoogjes die oplichten, en bioluminescentie (een proces waarbij organismen licht uitstralen) dat wanneer alle zaklampen uitgingen een oogverblinde lichtspektakel verzorgde. Naast al het duiken hield het eiland er ook een stevig nachtleven op na. Zo'n vier barrekes (de één al wat meer op het water als de andere) verdeelden de dagen van de week proper onder elkaar. Zo zaten we niet elken avond op dezelfde plaats onze veel te goedkope van onze Cuba-libre te genieten. Na ongeveer 2 weken (en met nog een 6-tal te gaan) Utila, besloot Maxim verder te trekken richting Mexico. Wim was echter nog steeds in zijn onderwaterwereld en besloot de laatste weken op een tropisch eiland in de Caraïbische zee dat het 2de grootste rif ter wereld bezit te verslijten. Het vertrek was hartverscheurend, en of beiden de splitsing overleefden leest u in het volgende fantastische verhaal...

Boliviaanse pracht (begin juni - half juli)

De valse papieren (die er echt wel te vals en te gekopieerd uitzagen) vormden voor de Boliviaanse douane geen probleem. Een nummer dat ontbrak werd zonder verpinken vervangen door de postcode van een of andere Duitse stad (porque no). Na de formaliteiten konden we ons dus zonder problemen een weg banen doorheen het zuiden van Bolivië. Of dat was tenminste wat we peinsden. De Argentijnse asfalt werd al gauw vervangen door Boliviaans zand, en aan omleidingen en kraters was er ook al geen gebrek. En zo werd onze rit naar Tupiza een helse onderneming, zeker na het onderduiken van de zon. De beslissing om de Falcon in Argentinië te laten werd geprezen, waarschijnlijk hadden we hem op dit eerste traject al kapot gereden.

Tupiza werd de uitvalsbasis voor een vijfdaagse trip door het zuidwesten van Bolivia (regio rond de Salar de Uyuni). Met Joanna, Gerhard en Thierry (zalige Fransman die de vacante plaats voor de toer opvulde) kropen we in een Toyota Landcruiser. Voor de mensen zonder verstand van auto´s (zoals wij), dit machien crosst zonder problemen den Boerentoren op. We werden vergezeld door een gids/bestuurder (Sebastian) en een kokkin (Marina). De eerste dag baanden we ons een weg langs kathedralen van rotsformaties, duizenden cactussen, lama´s en vicuñas (net iets elegantere lama´s met minder maar warmere vacht). Na een uur of vijf in gebieden te rijden waarin ge menselijk leven onmogelijk acht, stootten we plots (op een slordige 4000m hoogte) op een voetbalmatch. Extreme verrassing, die nog groter werd toen we merkten hoe sterk die mensen hun longen aangepast zijn; na de wandeling van 100m (van den auto naar't veld) waren we uitgeput. De tweede dag stond de volcán Uturuncu (6008m) op het hoofdmenu. Het voorgerecht was de Toyota, de rivier en het ijs. Verkeerde route gekozen en vast (jawel het kan, nooit gedacht) in de bevroren stroom. Met stenen, een soort krik en mankracht kregen we hem na enkele uren toch uit het ijskoude water. Na het hoogste middagmaal uit ons bestaan - praktisch alles wat we die dag deden werd zo benoemd - begonnen we 'opgewarmd' aan de hoofdschotel. Veel strakke wind, fumaroles*, klimwerk, en stoelgang op grote hoogte (met dank aan onze Franse en Oostenrijkse compagnons) later bereikten we uiteindelijk als stervende zwanen naar adem snakkend de top. Het zicht van daaruit was onbeschrijflijk, een soort van lavalandschap vol met bevroren meren en bergtoppen. Wegens afvriezende ledematen werd de afdaling echter vrij snel ingezet. Terug in ons campamiento aangekomen kon niemand nog pap zeggen en kropen we directamente (sommigen met barstende koppijn) in onze beddebakken. Dag drie bracht ons langs el Desierto de Dali (toen de Salvador deze woestijn bezocht, zei hij dat er in zijn verbeelding zulke plek bestond) en talrijke meren in allerhande kleuren naar de achterkant van de volcano Lincancabur (5950m, degene die goed hebben opgelet, herinneren zich San Pedro de Atacama in Chili allicht nog. Hier passeerden we eerder en dit dorp ligt aan de andere kant van deze perfecte kegel.) Hierna werden we getrakteerd op een heelijk thermaal bad, ijskoud buiten maar lekker weken en allerhanden parfums van de voorbije dagen afschudden in het warme water. Als kers op de taart passeerden we nog langs bubbelende geisers en Laguna Colorado (een ROOD meer!) voor zonsondergang. Op dag vier vertoefden we in de Desierto de Siloli die de Arbol de Piedra herbergt (een rotsformatie in boomvorm). Lunchen deden we op vulcanisch gesteente en met zicht op vulkaan Ollague (5865m) die nog steeds stoom aflaat. Van bij de start van dag vijf merkte Wim dat de eieren in de lunch van gisteren niet zo vers meer waren. Voor hem (een paar uur later gevolgd door Maxim en Gerhard) zou deze dag zich dan ook volledig in het interieur van de Landcruiser afspelen. Vóór zonsopgang scheurden we de Salar de Uyuni op, de grootste zoutvlakte ter wereld (even groot als Vlaanderen). De eerste keer dat we voet op deze enorme witte plaat zetten voelde aan als binnenwandelen in een sprookje; een mysterieuze sfeer met geel- en roodgloeiende bergen op de achtergrond. Deze werd helaas verbroken toen Wim noodgedwongen het maagdelijk wit ging besmeuren. Later hielden we halt om de typische er-is-geen-dieptezicht foto´s te maken en zette Maxim een wandeling op Isla Pescado ('eiland' in de zoutwoestijn met metershoge cactussen) in die snel beëindigd werd door stoelgangproblemen. De plaatselijke sanitaire voorzieningen werden dan ook masaal bezocht door ons gezelschap. Na het kruisen van de spoorweg tussen Bolivië en Chili (om het zout en borax naar de zee te vervoeren) baande de Toyota alias ziekenwagen zich een weg (met de nodige sanitaire intervallen) terug naar Tupiza om hier de volgende dagen uit te zieken.

*sulfurdampen die uit de zijkant van een vulkaan ontsnappen en die de indruk geven dat degene voor u heel den tijd 'pedos' laat vliegen

Nadat iedereen hersteld was, kropen we de VW-bus in om naar de mijnstad Potosí te bollen. ´s Werelds hoogste stad ligt aan de voet van de Cerro Rico, waaruit de Spanjolen, met behulp van Indiaanse en Afrikaanse slaven, al het zilvererts plunderden. Heden ten dage is de mijn nog steeds een inkomstenbron voor menig Boliviaan. Ze werken er in erbarmelijke omstandigheden (heel smalle gangen, onverlicht, grote diepte,...) en riskeren hun leven voor een habbekrats. Deze situatie deed ons allen de mond snoeren en enkele tientallen minuten bezinden we op de flanken van de 'rijke' berg. Dit in het bijzijn van de arme sukkeltjes van een familie die aan de ingang van één van de mijnschachten probeerden te overleven... Na al dit leed overpeinsd te hebben, maakten we una vuelta door de stad en bewonderden we de ontelbare kerken en koloniale huizen die de Spanjolen er in hun bloeiende periode neerpootten. Aangezien de koude niet langer te harden was, werd de tijd rijp bevonden om tot het hart van Bolivië door te dringen, La Paz (en nee het is niet zoals vaak wordt gedacht de officiële hoofdstad van het land, dat is Sucre, maar het is wel de administratieve hoofdstad).

Vanop de achterbank van de VW-bus zagen we, naarmate we 'De Vrede' naderden, de prachtige volcán Ilimani (Gouden Arend) opduiken. De prachtig besneeuwde top van deze zesduizender (6458m) steekt torenhoog boven de stad uit. Onderwege maakten we nog een praatje met twee fietsende reizigers (respect) waarmee we ´s avonds Pique Macho (typisch gerecht met frieten, worstjes, vlees en veel ajuin) gingen eten. Het binnenrijden was niet van de poes, duizende mini-busjes en taxis kroeilden er over het wegdek. Tussen al het getoeter door werden we in El Alto (voorstad van La Paz) getrakteerd op een vogelperspectief-achtig zicht op La Paz. De stad ligt in een schitterende vallei met op de bodem van de put het 'centrum' met zijn uber-lelijke flatgebouwen en het hoogste nationale voetbalstadion (vandaar dat de Bolivianen af en toe met 6-1 van Argentinië kunnen winnen). Tegen de flanken kruipen de uit rode snelbouwstenen vervaardigde huisjes de bergen op wat de hele vallei als een gigantisch stadion doet aanvoelen. Eens afgedaald vonden we onderdak in hostal Cactus, met Blanca en familia als gerante. Zij zou de komende zes weken dienst doen als interim-mama. Verder vervoegden we ons opnieuw met onze Israëlische vrienden Dan en Dan, waarmee we maanden voordien al veel pret beleefden (in Patagonië). Met hen en andere mochileros (oftewel backpackers) doken we met volle goesting (wegens lang geleden) het nachtleven van La Paz in, en dat is er eentje om over naar huis te schrijven (bij deze gebeurd!).

Na enkele nachten de bloemetjes buiten te zetten en de Boliviaanse keuken (die als hoofdingrediënten gefrituurde rijst, kip, en plátanos=gigantische bananen bevat) uit te proberen, was de tijd weer rijp voor wat natuurgeweld. Met een der Dannen (de andere moest noodgedwongen achterblijven wegens Boliviaanse reizigersziekte alias massale diarree-aanvallen) trokken we de bergen rond La Paz in. Met gekopieerde kaarten van ene Shaul (Israëli die al enkele jaren in La Paz woont en wiens hoofd wel op een luchtballon geleek, zwevend van de ene naar de andere trekking bracht hij ons vooral in verwarring, maar hij was wel degene met de nodige mappen en kennis van natuurparels) moest de Murillo trekking een makkie worden. Het spreekwoordelijk gezegde 'alle begin is moeilijk' werd aan den lijve ondervonden. De kaarten bleken toch niet zo acuraat en het landschap´bood ook niet onmiddelijk hulp met klare landmarks. Na enig klim-daal-klim-daal-...-werk bevonden we ons uiteindelijk dan toch op het juiste pad dat ons naar een top leidde vanwaar we een uitstekend overzicht hadden over een enigszins vruchtbare vallei vol met schapen en lama's. Als skieënd gleden we op de praktisch verticale helling van losse steentjes naar beneden om hier tegen het avondgloren (dankjewel prachtige zonsondergang) onze tenten op te slaan. Met de kippen gingen we op stok en bijgevolg kropen we vroeg uit de veren. Na een hartverwarmende koffie begonnen we aan een lange en afmattende klim die ons tot boven de 5000m zou brengen. De laatste hectometers van dit huzarenstukje lieten we de Superman in ons los en het was nodig! Met de nodige voorzichtigheid brachten we een paar keer ons leven in gevaar. Toen we alle drie veilig en wel de top bereikt hadden, bleek de ander kant zich volgestouwd te hebben met wolken. Doorheen dit dense wolkendek werd de komende uren afgedaald, wat voor een mysterieus sfeertje zorgde. Eens onder de wolken baanden we onze afdaling verder tussen de losliggende stenen en doorheen kolkende canyons totdat de zon zich ging verstoppen. De volgende dag meer van hetzelfde op 't programma. Naarmate de dag vorderde veranderden de stenen in struiken en de struiken in bomen. Ook het kwik kroop langzaam maar zeker de hoogte in en voor we het goed en wel beseften bevonden we ons in een supergroene vallei vol met riviertjes en lama's. Een rijkaard had op onze weg een serieuze lap grond verkregen en hier een huis op gepoot (inclusief tuin met lama's) om indruk te maken op buitenlandse investeerders. Op ons maakte het alvast indruk... Na nog wat geholpen te worden door de zwaartekracht riskeerden we voor de tweede keer ons leven door plaats te nemen in de bus richting La Paz. Scheuren en binnenbochten waren Mijnheer Chauffeurs geliefkoosde woorden, dit naast afgronden van een paar honderden meters diep. Een schelle kreet weergalmde in de bus toen een tegenligger ons bruusk deed uitwijken.

Terug aangekomen in La Paz werd er weer genoten van het bruisende nachtleven om enkele dagen later, na veel gezever en gezwans, de selva (jungle) op te zoeken. Dit deden we in het gezelschap van vier Israëlische chicos (Lyran de bomma, Bruno de kok, Kashi de eeuwige puber en Omer de droomprins), een Fransoos (Thierry met zijn supergrappig Engels, dezelfde jongeman als in Uyuni) en twee Boliviaanse 'gidsen' (Javier den baas en Johny de knecht, beiden weinig communicatief geskilld). De eerste dag werden we met MTB's (van Boliviaanse makelij) gedropt op de ijskoude top van de 'Deathroad'. Dit is een downhill van 50km met superdiepe afgronden waar al menig voertuig over de schreef ging. Ondertussen is er wel een veilig alternatief voor vierwielers zodat we ons niet echt moesten bekommeren over tegenliggers (over de fietsen daarentegen....). Toch moesten we zowat na elke bocht ons gaspedaal loslaten omdat één van de Israëlisch blijkbaar al lang niet meer op een fietske had gezeten (...ons bomma zou minder problemen hebben, werd wel eens gebruikt...). Naarmate we hoogtemeters verloren, werden er meer en meer kledingstukken uitgeschoten (de bomma had ondertussen plaatsgenomen in de volgwagen). De kille en kale bergen van op de top kleurden stilaan groen en na enige uren freewheelden we door groene jungle met watervallen die als verfrissende douches dienst deden. Tegen het einde gaven we wat gas bij op een hobbelig zijpaadje om lekker in´t zweet beneden in Coroico aan te komen. Van daar scheurden we verder in bus en taxi over stoffige bergpassen. Stevig geshaked en met een aantal stramme ledematen kwamen we aan in Guanay. De nacht brachten we door op een oever onder de brug, waar we later deze week nog eens passeerden met onze raft. Dag twee bracht ons wederom met een Toyota Landcruiser (met tienen!) tot midden in de jungle. Wat ne weg! Nog meer dooreengehaald en gewapend met machetten baanden we ons een weg door het dense woud. Hierbij verloren we (of beter gezegd onze 'gidsen') een paar keer het noorden om uiteindelijk toch aan de stroom te komen waar we de komende uren doorheen zouden waden/baden. Na ettelijke aap-achtige uitvallen in het water kropen we terug het land op en passeerden we langs rijst-, papaya- en bananenplantages in het hart van de jungle. De oogst van deze plantages wordt vervoerd op ezels wiens weg wij zouden volgen tot we in een net-als-in-de-films-jungledorp aankwamen. De kinderen, biggetjes en kippen speelden hier samen alsof ze nooit anders gedaan hadden. Ons hart begon echter een beetje te bloeden bij het aanschouwen van lege batterijen en allerhande plastieke voorwerpen die overal tussen de houten huizen verspreid lagen. De landcruiser bracht ons tot bij de rivier die de komende dagen onze beste vriend zou worden en hier werd nog wat nachtelijke fitness voorgeschoteld. Het oppompen van camionbanden met kleine fietspompkes is echt niet van de poes en bezorgde ons behoorlijk wat ´blisters on the fingers´. Ondertussen begon onze Fransoos het Engels van Arnold Schwarzenegger over te nemen om zich verstaanbaar te maken voor de horde meegereisde Israëli´s, gieren! Ons dak boven ons hoofd bestond uit twee zeilen, gestut door twee driepikkels en een dwarsbalk uit vers bamboehout. Op dag drie kropen we vroeg uit onze shelter om lange, rechte en holle bomen te gaan kappen die dienst zouden doen als frame voor de raft. Als Rambos ‘macheteerden´ we om ter snelst een tiental bomen tegen de grond om deze door de rivier naar ons campamiento te sleuren. Na een paar uurkes de scout in ons boven te halen (Que alegría!) werd de cargo, die bestond uit rugzakken en mondvoorraad, in waterdichte (rubbere) zakken op het vlot gehesen. Een palmtak deed dienst als onmisbare (voor sommigen al wat meer dan voor anderen) vlag. Vanop onze balsa aanschouwden we onontgonnen stukjes jungle en genoten we van de stroomversnellingen. Na enkel uren abfahrt konden we gebruik maken van de extra camionbanden om solo een weg te banen op het ritme van de rivier, genietend van de muziek van het kabbelende water in harmonie met de junglegeluiden (eindelijk effe verlost van het Hebreeuws gekakel). Later bevonden we ons in superbe canyons waar we vanaf metershoge rotsformaties het appelblauwe-zeegroene water indoken. Na een dag drijven en begroeten van goudzoekers (de traditionele stiel bestaat hier nog!) vonden we de perfecte kampeerplaats. Een schoon strandje met een overvloed aan hout voor het kampvuur. Een schitterende Israëlische maaltijd (sjaksjoeka), enkele kopjes thee en een hallucinatie later kropen we in de 'tent'. Dag vier bracht ons meer van hetzelfde genot. Op de middag verankerden we ons schip om een hele smalle canyon te exploreren. Wadend door het riviertje dat deze donkere gang vult, werden we opgeschrikt door krijsende uilen, die als zotten begonnen rond te fladderen toen we hun rust verstoorden (nen horrorfilm is er niks tegen). Wat verder in de smaller wordende Canyon moesten we watervalletjes opklefferen, wat voor de ene al wat moeilijker was dan voor de andere (remember de bomma). Toch net iets anders om te klimmen in een gladde canyon dan op een Zwitsers bergpadje. Tegen de avond vloeiden we in de bruine Rio Caca en kampeerden we in de buurt van een dorpje. Dorp=winkel=pintjes.... dus iedereen kroop gelukkig en voldaan in de tent. De laatste dag beklommen we een bredere canyon langs een riviertje dat uitmondde in een trippel adembenemende watervallen. Mannekes wat een schoonheden herbergt dit land! Na een paar zotte sprongen in de poelen die deze watervallen uitsleten, keerden we terug en zetten we de tent op (drie)poten. ´s Anderendaags werkten we het laatste stukje rivier af om aan te meren en de raft te ontmantelen in wederom een geweldig jungledorpke. Ook deze keer maakten niños, kippen en honden deel uit van het speelse gebeuren op het zanderige pleintje aan de boorden van de rivier. Verder werd een 'cargoschip' (lange kano vol met tropisch fruit) door het gans dorp leeggehaald in de goeien-ouwe stijl, ketting maken met een tiental personen en smijten maar! Beter voer voor de ogen bestaat niet... Met een maag vol goesting in een stevige maaltijd vingen we de urenlange terugrit naar Caranavi aan. Eindelijk nog eens een goei lap vlees, want de vegetarische Shaul had ons wat dat betreft enkel nen blok mortadela (soort boterhamworst, lekker in de meeste landen maar niet in Bolivië) meegegeven, dieje na enen dag stonk als de pest en alleen nog door Javier met zijn varkensmaag gegeten kon/wou worden. De volgende dag keerden we terug naar onze geliefde Cactushostel in La Paz.

Later meer over de avonturen in dit prachtige land.

Adios Argentina

Vrienden van de vrijdag! Te lang geleden, bij deze ne proficiat aan allen die drie maanden vakantie hebben en ook aan de rest die van de zomer aan`t genieten is!

Argentinië ligt nu toch al een maand achter ons, dus met enige vertraging volgt het relaas van de laaste dagen in het land van zon, choripan, fernet, asado, en veel veel meer:

Nadat we al liftend (en dat was niet zo voor de hand liggend) ons een weg gebaand hadden van Nelson naar Cordoba, stortten we ons in de zetel van Flor (Cordobese die we al couch-surfend leerden kennen) om hier de komende vier dagen niet uit te komen. Films volgden elkaar in een stevig tempo op en muziek galmde eindelijk weer uit stevige boxen. Na al dat verplaats van de voorbije maanden was deze vaste stek een welgekomen geschenk. Vier dagen later verlieten we ``uitgerust`` deze studentikoze stad voor het noorderlijke San Salvador de Tucumán alwaar we met Gerhard (Oostenrijker met een VW-bus met geïntegreerde keuken en een dubbel bed) hadden afgesproken. Hier werden we er weer aan herinnerd, na enkele maanden droogte, hoe rotvervelend regen kan zijn. Tijd dus voor een passage langs het Argentijns geschiedkundig museum, om daar nogmaals te ondervinden hoe lief de Spanjolen wel niet waren voor onze Zuid-Amerikaanse vrienden. Op zoek naar warmere oorden, met onze vrienden Joanna (een poolse, die we in het hostel in Tucumán ontmoetten) en Gerhard, crossten we met de bus de bergen in door bewolkt regenwoud, tot aan een groot artificieel bergmeer (inclusief dorp, aangelegd voor de rijkere Tucumanas) in Tafi del Valle, waar de zon terug scheen (in die regio hebben ze ongeveer 350 dagen per jaar zon, de sjansaars!). Hier hielden we halt om Barcelona naar de Champions League titel te juichen, vergezeld van enthousiaste Argentijnen die hun diebare Messi wederom zagen schitteren. Een uurke verder in Amaicha del Valle, een ander cactusdorp waar de Pachamama (moeder aarde) serieus heilig is, overnachtten we voor't eerst naast en in de bus. Wat een luxe: tafel en vier stoelen uitpakken, muziek op, koken op een echt gasvuur... dat waren we niet gewoon met de Falcon. Nen dag later passeerden we langs de prachtige Ruïnes van Quilmes. Hier leefden zo`n 3000 Quilmes-indianen tot de Spanjoerden hen in 1667 aan een voettocht van een paar 1000km (tot in BA) onderwierpen. Een 300-tal overleefden de trip en werden in een dorp nabij BA geplaatst, dat vandaag de dag gekend is onder de toepasselijke naam Quilmes. Wat overblijft van deze oude beschaving zijn indrukwekkende ruïnes tussen cactussen en lamas en een bier met hun naam (en het is één van de betere). Nadat we de indiaan in ons hadden achtergelaten en een koppel (Jos, Hollander natuurlijk en Asia, nog een Poolse) lifters meenamen, verloren we stukken van de bus die na menig speurwerk teruggevonden werden. Ondertussen was de tijd rijp voor een sorbet-ijs met rode en witte wijnsmaak (Ijsboeren allerlanden, kopiëren die handel) in Cafayate (een ij-zin). Maxim verliet de bende voor een paar dagen....
De volgende dagen bracht de VW-bus het vijftal (zonder Maximo) over de RN-40 (5224 km lang) naar Cachi. Dit was na de Carretera Austral de mooiste afgelegde weg uit mijn korte bestaan. Valleien, rivieren, eeuwen-oude wijnbodegas en wijnranken, huizen uit leem,... de tijd in dit Argentijnse deel stond werkelijk stil, heerlijk. Verder buigden we effe af van deze veertiger om naar een indrukwekkend meer te bollen (echt bollen, weg was weg), hoog in de bergen lag dit water te blinken tegen de rode rotsformaties waar de grasgroene cactussen maar al te graag hun wortels in vastpootten. Als bij wonder hadden ze iemand gevonden die hier de nieuwsgierige toerist (ik gok zo`n 2 per week) enkele pesos lichter moest maken. In Cachi vonden we onze moegestreden Maxim terug en reden we met fototoestel in de hand naar Salta, door landschappen met op de voorgrond massale cactusvelden (Cordones), daarachter rood-wit-roos-grijs-bruine bergen, en daarachter, nog een paar kilometer verder, besneeuwde bergtoppen. Op de camping in 'La Linda' parkeerden we onze bus tussen een zestal reusachtige trucks. Allerhande europeanen die er met hun gezin ettelijke jaren tussenuit trokken en tevens over een stevige geldbeugel beschikten, hadden deze ingericht als rijdend huis. De grootste van allemaal, had in plaats van ne fiets nen dikke quad in zijn koffer zitten! Salta, gelegen in een grote vallei omringd door groene bergen, is vergelijkbaar met zowat elke koloniale stad in het noorden van Argentinië, maar heel goed geconserveerd. Peñas en restaurants waar we tegen een schoon prijske locro aten (lekkere stoofpot op basis van pompoen, maïs en bonen) zijn op elke straathoek terug te vinden. Verder bezit het ook een indrukwekkend INCA-museum, dat beschikt over twee perfect intacte kindermummies die de INCA`s offerden op een van de bergtoppen, na hen te verdoven met een overdosis alcohol.
Vele asados en medialunas (BBQ/croissants) later, staken we de sleutels weer in het contact en bereikten we Purmamarca. Hier staat la Montaña de los Siete Colores (of voor de niet spaanstaligen onder ons: den baarg me zeuven kleurkes), een indrukwekkend maar net iets te toeristisch uitgebuit plaatsje aan de grens met Chili en Bolivië. Dus vroeg uit de synthetische stof (slaapzak bevat geen veren) om de tours voor te zijn en de opkomende zon te zien spelen met deze zeven kleuren, owwauw. Later op de dag de bus op klimmodus gezet om tegen het avondgloren de Argentijns-Boliviaanse grens te bereiken. Met valse Oostenrijkse papieren in de hand richting douane en daar gebeurde het volgende...

Argentinië we zullen terugkeren, beloofd!

PS: niemand geïnteresseerd in een Ford Falcon ´74

De laatste dagen in de Falcon

Jujuy is gelegen aan de voet van een indrukwekkend Andes-landschap met valleien vol cactussen en indrukwekkende kleuren, waarin kleine indianendorpen gevestigd zijn.
Wegens tijdsgebrek en een geplande terugkeer naar dit gebied, lieten we dit effe links liggen en probeerden we traditionele maaltijden (humitas, locro, lama,...) en feestelijkheden
(peña; typisch folklore optreden van een drietal groepen waarop massaal gedanst wordt, wuivend met zakdoekskes tot in de vroege uurtjes. Tot nog toe niet echt uitgeprobeerd en het maar beperkt tot rock and roll- / cumbiapaskes) uit in het centrum. Verder namen we een duik in de Termas de Reyes. Nen omhooggevallen Duitsen dikke nek die zijn Argentijnse werknemers behandelde als slaven en heel den tijd met zijn GSMmeke rondliep, had daar een knalblauw zwembad (met verwarmd water) laten installeren in ne schone groene vallei, echt een absoluut gebrek aan stijl. Nen tegenvaller dus na een bezoek aan de (natuurlijke) thermen in Patagonië, Mendoza en San Pedro.

Na het afscheid van Andrea en Iris (het ene al wat moeilijker dan het andere) brachten we de Falcon terug thuis (Nelson), waar we ontvangen werden met een laaiend enthousiasme. Het werd een kalme week waarin we ons verhaal uit de doeken deden, den tijd voor alles pakten en iedereen nog eens terug zagen. Het tofste was den duivenjacht: 41 duifkes gingen tegen de grond en werden daarna eigenhandig gepluimd en opgesmuld door de trotse jagers.

Dan was de tijd gekomen om de sleutels van de Falcon aan Carlos te overhandigen. AAAUUUUUUUUUUUUUUW... (de reservesleutels zijn nog steeds in ons bezit). Momenteel staat 'La Máquina' dus te koop, geïnteresseerden kunnen altijd contact opnemen met onzen tweegend! Vanaf nu zal de reis wat meer op geluk van den duim gebaseerd zijn, als de wind goed staat geraken we wel ergens. Zo zitten we nu al couch-surfend (gratis verblijf in iemand zijn thuis, via internet-site te vinden) in Cordoba... Eén van de dagen richting Tucuman waar een Oostenrijker (Gerhard) ons met zijn volkswagenbus staat op te wachten. Hippies-hoi en allemaal blazen voor een goeie wind richting Bolivia!

De San Pedro-trip

Terug herenigd, en na afscheid te nemen van de Cox-familie en de Aussies (na 2,5 maand), bracht de Falcon ons via een tweedaagse tussenstop bij onze artisanale vrienden in Valpo, naar het noorden van Chili (zo´n 1500km verder) door cactusvelden, mijnontginningsgebieden en prachtige zonsondergangen met de Andes als decor. De twee nachten brachten we telkens door al lado del mar. Nummer één op een met cactussen bezaaide clif waartegen de golven musikaal zelfmoord pleegden. Nummer twee op een desolaat strand, onder een sublieme sterrenhemel met een duinenverlichtend kampvuur. Met de aankomst in zicht, weigerde de Falcon dienst en hielden we een verplichte pitstop in het aartslelijke Calama. Een dag later kwamen we aan in San Pedro de Atacama, een dorpje gebouwd rond een oase, gelegen in één van de droogste gebieden op aarde; de altiplano aan de voet van de Lincancabur vulkaan. In het centrum van dit dorpje lijkt de tijd echt stil te staan, ongepaveide straten, kleine, uit klei geconstrueerde huisjes, irrigatiesysteem in open lucht... Bokrijk maar dan in het echt. Na een bezoek aan de Salar de Atacama (zoutvlakte) met bijhorende flamingo's en lama's, een 'drijf' in een zoutmeer, een nachtelijke trip in de woestijn vanachter op ne pick-up, thermen in een prachtige groene vallei en het ontmoeten van heel veel interessante mensen sloten we het hoofdstuk Chili af met een valse noot. Met z'n vieren (een Duitser die in Brazilië had gewerkt, vergezelde ons) probeerden we de de Paso de Jama, die ons terug naar Argentinië zou brengen, over te steken. Van San Pedro tot aan de grens bedraagt dit zo´n 180km waarvan de eerste 80 km zonder zwans kaarsrecht omhoog richting sterrenhemel reiken. De Falcon zag dit niet zo goed zitten en weigerde na 40km enige toenadering tot Janneke Maan. Bergafwaarts was dan weer geen probleem en zo breiden we een dag aan het verblijf in Chili. Gelukkig ontmoette we een Argentijn die in de toerischtische industrie van Chili tewerkgesteld is en ons een gratis dak boven ons hoofd aanbood (met dank aan de Falcon, die wederom dienst deed als ijsbreker). Volgende dag ontwaakt in het ochtendgloren en op zoek gegaan naar camioneros die Andrea, Kai (Duitser die ons vergezelde) en Iris (Amerikaanse die eveneens stond te liften) over de Andes konden loodsen. Met twee in de Falcon met gedemonteerde luchtfilter (auto's zijn blijkbaar ook gevoelig voor ijle lucht) en met zo´n 90 liter naft, begonnen we aan de spannende klim. 80 liter naft, 5 jumpstarts, ontelbare vloekpartijen, twee keer de slee bijna achterlatend, één grenspassage waar we alles konden uitladen en 12 uur later kwamen we uitgehongerd aan in San Salvador de Jujuy waar we ons ongerust geworden gezelschap terug ontmoetten.

Aan weerszijden van den berg

Mendoza (Maxim)

In de busrit over de Andes kon ik mijn camera weer niet gerust laten. De ene prachtige rotsformatie volgde de andere op, in allerhande rode, bruine en grijze tinten. Een paar uur later was ik na meer dan een maand cruisen in Chili terug in Argentinië, wat uiteraard leidde tot asado en Fernet. In de stad Mendoza zelf valt niet echt veel te beleven, maar door wat rondvragen bij de rasta's op de plaza kwamen we wel op een zalig tuinfeest terecht. Reggae en goeie Latinomuziek zorgden voor ne plezante danssfeer, doorspekt met optredens van vuurslingeraars, improvisatietheater à la onvoorziene omstandigheden (nie al te simpel om alles te volgen in't Spaans), Afrikaanse danseressen en trapezisten vergezeld van gemaskerde djembeërs en fakkels. Overdag gingen we naar de thermen in de bergen van Cacheuta en deden we een wijntour langs de vele bodega's van Maipú. 's Avonds werd het eten bereid door Asador Maxim, die de Argentijnse BBQ-skills ondertussen goed onder de knie had. Na drie dagen overnachten in de stad, trokken we echt de bergen in. De eerste halte was een camping in Potrerillos, een heel kalm bergdorpje aan een groot meer met allerlei blauwe tinten, aan de kant gebroken door groen-gele populieren die in't water groeien, wat perfect dienst deed als uitzicht bij een picnick in de bergen. In het iets grotere Uspallata - waar de kleuren van de populieren afsteken tegen rode bergwanden in plaats van een blauw meer - gingen we paardrijden met nen Italiaan und zwei Deutsche Mädchen, die ons 's avonds ook vergezelden op nen asado met uitstekende Mendoza-wijn. Paard, hoed en landschap droegen bij tot het volwaardige cowboygevoel. Alleen kon ik niet begrijpen hoe die mannen tegen 40km/uur crossen zonder van hunnen hengst te vallen. Na een bezoekske te brengen aan het natuurfenomeen El Puente del Inca en nen blik te werpen op de Aconcagua, bleek dat de plannen stevig zouden veranderen. Wegens het afhaken van Brett den Aussie, wilde Wim de Andes niet in z'n eentje oversteken - wat begrijpelijk is in ne 35 jaar oude Falcon - waardoor ik en Andrea terug den berg overstaken, richting Santiago. In vergelijking met Valparaíso op het eerste zicht een weinig inspirerende stad, maar om uit te gaan zou het daar wel ok moeten zijn.


Santiago de Chile (Wim)

Nadat Maxim de Andes was ingetrokken, bleven de Aussies, een porteña (inwoonster van Buenos Aires, die ons vervoegd had in Valparaiso) en ikzelve over in het paradijs (Valparaiso). Toch voor effe, de poorten van de hemel moesten ooit gesloten worden. De volgende dag was de tijd rijp om de deuren van de Falcon (die zijn eerste inbraakpoging had doorstaan) te openen en ons te wagen aan het volgende Falcon-avontuur. Al naar beneden bollend van één van de cerros (heuvels) kregen we onze slee aan de praat en verlieten we Valpo met pijn in het hart. Tegen 80 km/h en bijgevolg voorbijgevlogen door camioneros, bolden we door immense wijngaarden richting de Chileense hoofdstad, Santiago. Nu niet direct de stad die je een wow-gevoel bezorgt (Ik kan me ook moeilijk een stad inbeelden die dat wel zou doen na een verblijf in Valpo). Oude en nieuwe edificios (gebouwen) zijn hier in een vreemde mengelmoes neergepoot en geven niet echt een identiteit aan de in smog (waardoor je de Andes op de achtergrond nog net kan zien) verhulde hoofdstad. Na een weekendje rondkuieren, een doortocht in de zoo en het afscheid van de porteña, trok ik in bij José (ontmoet zo´n maand geleden tijdens de trekking in Torres Del Paine) en Felipe Cox. Hier kon ik mijn batterijen weer effe opladen al lezend naast het zwembad (met mijn hond, Julieta). Eten werd geserveerd door de nanny, que malavida! Als bij wonder had deze familie een buitenverblijf in Valpo en zo keerde ik vergezeld door Felipe en de Aussies terug naar de oude liefde om de bloemetjes nog eens stevig buiten te zetten. Het poepchique apartement bevond zich op een heuvel en de ramen leken net TV-schermen; duizende lichtjes verlichtte de heuvels en de oceaan... Na een vermoeiend weekend keerden we terug naar Santiago alwaar Maxim en Andrea zich terug aanmeldden.

De liefde voor Chili

Na een kleine duizend kilometer noordwaarts over de Panamericana gereden te hebben, vaarden we richting de kust van Pichilemu, allicht het bekendste surfersoord van Chili. Hier kwamen we terecht in een Mediterraans landschap, wat een enorm verschil was met de groene natuur uit het Zuiden. Het blauw in het landschap kwam niet meer van bergriviertjes, maar van de ijskoude Stille Oceaan. Vanop de zandwegen (waar onze Falcon bijna zijn zegen gaf) door naaldbossen in de cordilleras (kleine bergen) werden we verrast door uitzichten op prachtige surfersbaaien met gigantische golven, die tot grote verbazing van Tom door niemand getrotseerd werden. Ne meevaller dat het drukke seizoen voorbij was, de prijzen waren serieus gezakt waardoor we ons voor een paar dagen konden nestelen in een gezellige cabaña (nen bungalow), en dat deed goed na meer dan een maand rondtrekken en slapen in de tent. Eens temeer omdat we elke dag afgemat werden door het surfen, man da is vermoeiend! Na vijf minuten peddelen beginnen uw armen al te wegen, en dan moet ge u nog weten op te drukken als ge de goeie golf gevonden hebt. Met andere woorden; vaak hebben we niet rechtgestaan op de plank in die drie dagen, maar toch was't echt heel plezant: 'rustig' ronddobberen op de golven waarvan de kracht u elke keer opnieuw versteld doet staan.
De volgende halte was Valparaíso, wa was da?!! Echt een paradijs. Het plan was om er nen dag of drie te blijven en dan wat noordelijker nog een paar dagen te gaan surfen, alvorens Argentinië terug binnen te bollen. Na een paar dagen werd er echter meer gesproken over wonen in Valparaíso dan over verder reizen. Het was liefde op het eerste gezicht. Er is zoveel in die stad om van te houden: duizenden gekleurde huisjes op heuvels vanwaarop ge prachtige panorama's te zien krijgt over de baai en de rest van de stad, omhoogkrullende straten en steegjes die met elkaar verbonden worden door trappen die overal opduiken (wat een enorme verrijking is na het typische, saaie dambordpatroon in praktisch alle andere steden in Chili en Argentinië), prachtige graffiti in allerhande stijlen, massa's gezellige goedkope café's met goeie (live)muziek, straatverkopers met typische artesanía en ten slotte heel veel interessante (artistieke) mensen. Na een stevige uitgaansweek - wa wilde als ge zolang in de natuur gezeten hebt en ge komt dan in zo'n stad terecht - met overnachting in ne jeugdherberg in't historische centrum (waar we konden ‘ontbijten' op het terras met zalig uitzicht), werden we door locals uitgenodigd om bij hen te overnachten voor de rest van ons verblijf. Zo verhuisden we dus naar de andere kant van't stad, naar een klein houten huisje op nen berg, compleet met moestuintje en zelfgemaakte schilderijen. Te bereiken via nen trap die ge liever achterwaarts wilt beklimmen om meer van het zicht over één van de langste avenidas van de stad te kunnen genieten. 's Nachts dronken we Piscola (typische Chileense longdrink) op het dak waar dit zicht verrijkt werd tot een volledige 360? -ervaring met meer lichtjes dan sterren. Overdag kuierden we rond in dit (wat minder mooie) deel van de stad, waar het dagelijks volstond met marktkraampjes die de vissen, zeevruchten en groenten weggaven tegen spotprijzen. Zo verlekkerden we ons aan 50 krabben tegen 1.3€, en ne kilo kiwi's voor 15eurocent.
Na twee weken verlieten we de stad met pijn in het hart, om zeker ooit nog terug te komen. Beiden zaten we met heel rare gevoelens, naast het afscheid van Valpo en de mensen die we daar leren kennen hadden, was dit tevens het afscheid van de Aussies (den blonde (Tom) ging duiken bij een vriendin in Honduras, den andere (Brett) keerde terug naar Londen om te gaan werken en daarna ne rondreis te maken in Europa, met de bedoeling om in de zomer met Noyens en co in't Balatonmeer te gaan dansen) waarmee we meer dan twee maanden aan't rondreizen waren. Daarenboven zouden we die dag voor de eerste keer in bijna vijf maanden tijdelijk onze eigen weg gaan. Raar. Dieje van Retie ging met de bus naar Mendoza om iemand uit Buenos Aires te ontmoeten (drie maanden eerder ontmoet in Rosario), dieje van Kastel zou met de Falcon naar Santiago de Chile rijden om daar bij een rijke familie met zwembad te logeren (contact uit Torres del Paine). Het plan was om elkaar een weekske later in Mendoza terug te ontmoeten...
Hoe dit verliep lees je in de volgende aflevering van dit 'maandelijks' magazine.
Chau Boludos!

De Carretera Austral

De duimen en kaarsen uit het Belgiënland (en omstreken) hebben ons duidelijk geholpen, waarvoor velen dank. Met andere woorden; we zijn Chili binnengeraakt en wel op deze manier: Nadat we ons in het tweede grootste meer van Zuid-Amerika (Lago Buenos Aires aan Argentijnse zijde en Lago General Carrera aan Chileense zijde) verfrist hadden (de ene met al wat meer lichaamsbedekking dan den andere), waagden we ons aan de grensoversteek nabij Chile Chico. Hier waren de douaniers echter beter op de hoogte van de formaliteiten dan op het vuureiland (Tierra del Fuego, vorige grensoversteek) en zat er dus niks anders op dan onze slee 180 graden te draaien en een ander plan te smeden. Na een nacht overpeinzen, kwamen we op het idee om het langs de andere kant van dit immense meer te proberen. Een kleine grenspost midden in het Andesgebergte. Zoals we gehoopt hadden, stond de tijd hier inderdaad een beetje stil. Twee jongelingen stonden ons hier op te wachten (te midden van een hoop kippen en andere boerderijdieren) en gaven ons de nodige papieren om Argentinië achter ons te laten en het Chileense grondgebied te betreden. Tussen de twee grensposten in nog snel effe al onze groenten, fruit en vleeswaren verbergen, want deze zijn niet welkom in Chili.

Zo kon onze tocht op de felbegeerde ruta de tierra (onverharde weg) genaamd Carretera Austral eindelijk beginnen!

Dat het de moeite was om te blijven proberen de grens te passeren bleek al vanaf de eerste kilometers. We stuurden onze Falcon door ongerepte bergpassen, waar de eeuwige sneeuw lag te glinsteren in het zonlicht (dat weigerde genoeg warmte af te geven om ons terug aan onze marcel/musculoso te wagen). Na een nachtelijk onweer aan een schitterend meer (bewoond door de Indiaanse grootouders van het monster van Loch Ness.) en de nodige problemen die de stenen, hellingen, bochten en afdalingen onze slee hadden bezorgd, hielden we halt in Coyhaique om zowel de auto als onszelf een upgrade te geven. Dit was tevens de eerste en enige noemenswaardige stad voor de komende 11 dagen/700km. De eerstvolgende nacht sliepen we bij een gaucho (cowboy) waar we aan de rivieroever onze tenten opsloegen en twee gigantische Robalos (vissen) op een houtvuur prepareerden. De volgende dag gingen we op zoek naar de Ventisquero Colgante (Hangende Gletsjer). Hiervoor moesten we door een sprookjesachtig regenwoud waar de varens en mossen samen met de invallende zonnenstralen en riviertjes het ideale elfenland vormden. Een dag later in de madrugada (vroege morgend) besloot onze muffler (geluidsdemper) te exploderen tijdens het in gang trekken van de Falcon met behulp van de vuilkar en moesten we verder over het slechtste deel van de Carretera met enorm veel kabaal. Gelukkig was er in het volgende dorp 'La Junta' (net zoals de Carretera zelf gesticht door Pinochet om Chili meer toegankelijk te maken. Dit deel was immers totaal afhankelijk van Argentinië voordat deze weg gesticht werd) een geschikte lasser die onze oren terug de nodige rust bezorgde. Naarmate we ons meer noordwaarts begaven over de carretera, passeerden we steeds dezelfde (vooral Israelische) lifters die we naderhand al dan niet kamperend langs de kant van de weg vergezelden en die vol lof waren over het 'ontmoeten' van de Falcon-crew (eindelijk begon de auto ons de nodige roem te bezorgen). Tijdens een gigantische asado met ne man of tien kregen we van zo'n bende Israëlies een geweldige tip: vlakbij La Junta konden we termen bezoeken voor een spotprijske. Geweldig relaxerend om na een tiental dagen zonder douche onder een geweldige sterrenhemel in heet water rond te dobberen. Na een week Carretera was het tijd voor iets anders en besloten we te gaan raften op de Futaleufú rivier, één van de hoogst gerangschikte rafting-rivieren op de planeet. We gaven onszelf eerst een dag rust en verzamelde zo´n 80 km verder (over schilderachtige, superslechte onverharde weg) in het dichtsbijzijnde bankkantoor het nodige geld om onze actie te financieren. De rafting zelf begon redelijk stevig waardoor we tijdens de volgende rustige stukken in een soort sloomheid verzeild geraakten. Al dobberend, genoten we van de heerlijke natuur en vergaten we dat sommige rapids (stroomversnellingen) echt wel de nodige arbeid van ons vergden. En als de stuurman (Tano, Italiaan) dan al eens een foutje maakt, vliegen vier van de zes inzittenden over boord. Toch wel effe verschieten om onderwater van rots naar raft gekatapulteerd te worden. Nadat we na een paar minuten iedereen uit het water hadden gevist, terug op adem gekomen waren en de kracht van de rivier niet meer onderschatten peddelden we de raft naar de finish. De laatste kilometers van de Carretera brachten ons in Chaiten. Dit dorp werd enkele maanden geleden bedolven onder het puin door de gelijknamige vulkaan. We kregen allemaal kippenvel toen we tegen zonsondergang een grote witte wolk van achter een bergketen zagen verschijnen (de vulkaan tuft nu al bijna een jaar as uit). Na de schade opgemeten te hebben en de nacht op één van de weinige overblijvende grasperkjes door te brengen, namen we de boot die ons van Chaiten naar Puerto Montt bracht. Dit betekende het definitieve einde van de Carretera Austral, de schoonste weg op onze planeet.

Vanaf nu gaan we op zoek naar warmere oorden aan de boorden van de Pacifische Oceaan, waar we een poging tot surfen zullen ondernemen...